Archaïsch taalgebruik

In een steeds veranderende wereld ontwikkelt taal zich in een rap tempo. Er ontstaan neologismen; nieuwe woorden, maar ook worden er woorden uit andere talen overgenomen. Als ik af en toe de kinderen (8 en 12) van mijn vriendin hoor praten verbaas ik me er over hoe ouderwets mijn eigen manier van spreken al is vergeleken met die van hun.

Anno 2016 gebruiken we allemaal woorden als downloaden, whatsappen, twitteren en ontvrienden zonder er nog bij na te denken, terwijl onze (groot)ouders deze woorden misschien wel helemaal nooit gekend hebben.
Andersom bestaat er ook zoiets als archaïsch taalgebruik; volgens van Dale is archaïsch:

1. behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk: archaïsch taalgebruik, taalgebruik waarbij men opzettelijk min of meer verouderde woorden of zinsconstructies gebruikt…

Archaïsch taalgebruik is dus taalgebruik dat ouderwets of achterhaald genoemd kan worden terwijl ze voor de generaties voor ons weliswaar niet altijd dagelijkse kost, maar toch niet ongewoon waren. Eigenlijk vind ik ouderwets ook een beetje oneerbiedig, want ooit waren het gewone en bruikbare woorden, net zoals uploaden, mailen en relaxen dat tegenwoordig zijn. Dat is best jammer, want er bestaan zulke prachtige woorden die in ons dagelijks leven helemaal niet meer mee mogen doen. Wat dacht je bijvoorbeeld van snoodaard? Een snoodaard is een boosaardig persoon, iemand die snode plannen maakt en uitvoert. Iemand met een snode aard.

Snoodaard foto

Snoodaard blijkt echter dusdanig ouderwets en achterhaald geworden dat mijn papieren van Dale er niet eens meer melding van maakt. Niet van snoodaard, niet van snood en ook niet van snode. Dat valt tegen, dus zocht ik het op in een online woordenboek. Wanneer je snood opzoekt kom je synoniemen tegen die soms al even ouderwets zijn al het woord snood zelf:

Arglistig , Boosaardig, Crimineel, Duister, Doortrapt, Euvel, Eerloos , Geniepig, Gluiperig, Godvergeten, Gemeen…

Het is allemaal niet best! Maar snood lijkt ooit ook nog een andere lading hebben gehad dan enkel slecht of boosaardig. Volgens een online etymologiebank had het meer de betekenis van schamel of armzalig, maar uiteindelijk is dat verdwenen.

snood bn. ‘boosaardig’
Mnl. snode ‘slecht, schamel, armelijk, gering’ in Wie snode dat hi si gegoet ‘hoe gering zijn bezittingen zijn’ [ca. 1340; MNW], snode laken op sijn bedde ‘een armoedig laken op zijn bed’ [1439; MNW], ‘schandelijk, smadelijk, boosaardig’ in Sijn snode herte dat was arch ‘zijn boosaardig hart was slecht’ [1390-1410; MNW-R], snode woorde ‘smadelijke praat’ [15e eeuw; MNW].
Herkomst onduidelijk.

Ik zou zelf verwachten dat het woord snoodaard een samentrekking is van snood/snode en aard is, maar voor de zekerheid zocht ik het nog eens op in mijn etymologisch woordenboek waar ik tot mijn verrassing niet snoodaard vond, maar enkel snood. Het schoot werkelijk niet op zo. Niks te vinden over de etymologie van snoodaard. Na enig googelen vond ik dan toch een website die melding maakt van een publicatie uit 1860, waarin het woord snoodaard wordt genoemd, en waarin mijn idee over de herkomst lijkt te worden bevestigd:

Te recht wordt door den Heer V. Dijk de onhoudbaarheid aangetoond van de bewering, dat ons achtervoegsel één en hetzelfde zou wezen als ons substantief ‘aard.’ Dit substantief moge ook al achter adjectief- en substantiefstammen gevoegd, als in snood-aard en dronk-aard, een dragelijken zin geven, na werkwoordelijke stammen, bijv. in veins-aard, laat het zich volstrekt niet verklaren.

Over archaïsch gesproken…